Personal tools
You are here: Home Geschiedenis Enkele installaties in Utrecht

Enkele installaties in Utrecht

De eerste röntgentoestellen en radioactieve bronnen voor demonstratie, onderzoek en behandeling.

Direct nadat de ontdekking van Röntgen bekend was gemaakt, werden zijn experimenten wereldwijd door wetenschappers herhaald. In menig laboratorium vergden de proeven weinig voorbereiding, omdat de benodigde apparatuur al voor de bijna veertig jaar bekende kathodestralen werd gebruikt. Ook door de medici werd de nieuwe techniek opmerkelijk snel toegepast. Van een gebruikelijke tijdsduur van minstens tien jaar tussen een ontdekking en de medische toepassing ervan was in dit geval geen sprake; binnen een jaar werden patiënten met röntgenstralen onderzocht en behandeld.

Ook de Utrechtse universiteit bezat in het fysisch laboratorium aan de Bijlhouwerstraat een dergelijke installatie. De notulen uit die eerste dagen lijken elkaar tegen te spreken, maar hoogstwaarschijnlijk bootsten chemicus E. Cohen (vanaf 1902 hoogleraar) en fysicus V.A. Julius (sinds 1888 hoogleraar) hier in een vroeg stadium de experimenten van Röntgen na. Met slechts gebruik van wat gegevens uit een krantenbericht maakten zij met een belichting van twintig minuten een foto van een muntstuk. Cohen demonstreerde de foto op 10 januari 1896 in Amsterdam. Zij waren hiermee na Röntgen de eersten in Nederland en waarschijnlijk zelfs in Europa die met ioniserende straling fotografeerden. Twee maanden later, in de week van 11 t/m 17 maart, hield Julius in zijn laboratorium een serie lezingen over de röntgenstralen, die volgens de studentenalmanak van 1896 druk werd bezocht:

“De nimmer stilstaande wetenschap schonk aan zeer, zeer velen de gelegenheid een college, eigenlijk meer een lezing bij te wonen over - in die dagen het gesprek van den dag - de röntgenstralen. Die geheimzinnige X trok zoo velen naar de Bijlhouwerstaat, dat meer dan eens Z.H.G. [Zijne Hooggeleerde] een overvolle zaal voor zich zag. Den hartelijken dank van allen, zoowel van de philosophische als andere faculteiten aan prof. Julius voor die boeiende lezingen.”

Ook de Utrechtse H.B.S.-leraar J.L. Hoorweg voerde in de eerste dagen van 1896 met de röntgenbuis experimenten uit. Zijn verslag hierover liet hij aan de leden van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen presenteren. De conclusies die hij aan zijn resultaten verbond bleken grotendeels onjuist, maar niettemin bleef hij de technische ontwikkelingen op de voet volgen. In 1910 verscheen van zijn hand het boek ‘Handleiding voor het Röntgenonderzoek’, dat binnen de Nederlandsche Vereeniging voor Electrotherapie en Röntgenologie goed werd ontvangen. Het was mede aanleiding om hem in 1911 te benoemen tot erelid.

De eerste klinische toepassingen in Utrecht vonden in 1896 plaats in het Militair Hospitaal aan de Springweg. Naast enkele buizen had men hier voor de benodigde hoogspanning een elektriseermachine van Wimshurst gekocht. Deze relatief goedkope machine gaf echter een matig resultaat, zodat enkele maanden later alsnog accumulatoren, een interruptor en een inductor werden aangeschaft. Tussen het voortdurend aanpassen van de apparatuur door wist men twee jaar later met enige trots te melden dat er een toestel vervaardigd was “om met mathematische juistheid den zetel van projectielen in de hersenholte aan te wijzen”. Er werd ook behandeld met de röntgeninstallaties. In 1906 beschreef chirurg A. v.d. Minne drie door hem uitgevoerde behandelingen. Het eerste geval betrof een ulcus rodens (oppervlakkige huidkanker) tussen de ogen. Na twintig bestralingen, dagelijks gedurende tweeënhalve minuut, trad een merkbare verbetering op. Na anderhalve maand werd de patiënt ontslagen, maar na drie maanden leek een recidief op te treden, waarop besloten werd de behandeling te hervatten. Bij de tweede patiënt wezen de sterk vergrote milt, de opgezette lymfklieren en de samenstelling van het bloed op leukemie. Drie maal per week werd drie minuten het borstbeen bestraald, daarna vijf minuten de milt en vervolgens drie minuten de bovenbenen. Van de patiënt, die al een maand lang door een burgercollega was bestraald, waren na drie weken behandeling in het hospitaal de milt en de lymfklieren kleiner geworden en nam ook het aantal leukocyten af, terwijl geen nadelige invloed op de rode bloedlichaampjes was aan te tonen. Bij een derde patiënt met een inoperabel carcinoom was na veertien dagen bestralingen geen verbetering te constateren. Van der Minne hoopte later de behandeling met speciaal ervoor ingerichte buizen voort te kunnen zetten.

In 1916 vestigde Van der Minne zich in het St. Antonius Gasthuis aan de Prins Hendriklaan, waar sinds 1910 röntgenapparatuur werd gebruikt. Zijn opvolger A.P. Öfner bedong bij zijn komst in 1936 een moderne röntgenafdeling, waar zowel onderzoek als therapie konden worden bedreven.Hier zouden vanaf 1938 patiënten worden behandeld. Öfner was ook een befaamde opleider van radiologen en laboranten. Met radioloog G.J. van der Plaats in Maastricht was hij de eerste die zich inzette voor de opleiding tot radiologisch laborant.

De Emmakliniek aan de Emmalaan was ingericht voor behandeling van eerste en tweede klassepatiënten en was in 1915 al in het bezit van het toentertijd nog zeer kostbare radium en mesothorium. In dat jaar schafte het de pas ontwikkelde Coolidge-buis aan die ook voor therapie heel geschikt was. In 1916 verhuisde de kliniek naar de Koningslaan. Aan de Oude Gracht werd in het Diakonessenhuis vanaf 1914 röntgenapparatuur voor onderzoek gebruikt en enige tijd later ook voor behandeling. Zowel in het Diakonessenhuis als de Emmakliniek vestigde zich in 1918 het Centraal Instituut voor Radiologie. Hoelang dit instituut in de Emmakliniek verbleef is niet duidelijk. In het Diakonessenhuis zou het tot 1948 als zelfstandige röntgenafdeling dienen.

In het Algemeen Ziekenhuis (het oude AZU) aan de Catharijnesingel besprak de ziekenhuiscommissie in mei 1897 een verzoek vanuit de Heelkundige Kliniek om een röntgenapparaat te mogen plaatsen:

“Door Prof. Narath was verzocht om een locaal te mogen inrichten tot donkere kamer benoodigd bij gebruik van Röntgenstralen.
Besloten wordt hem toe te staan tot dat doel de isoleerkamer No 47 gedeeltelijk daartoe in te richten, onder voorwaarden, dat de kosten niet voor rekening van het Ziekenhuis zouden komen, evenmin de aanleg voor de verlichting in de afgesloten ruimte.
Dat wanneer mocht blijken dat dat locaal voor de verpleging van lijders der chirurgische kliniek of uit andere hoofde voor de dienst van het Ziekenhuis gebruikt moet worden die kamer in zijn vorige stand moet worden gebracht op hunne kosten .”

Wellicht was de commissie van mening dat de toepassing van deze nieuwe technologie meer het wetenschappelijk onderwijs dan de volksgezondheid diende. Door ruimtegebrek werd uiteindelijk in 1898 een deel van een vrouwenisoleerkamer betimmerd. Aan de ene zijde van het houten schot kwam de installatie, terwijl de andere zijde werd ingericht voor behandeling van septische ziekten en eerste hulp. Een jaar daarop diende Narath met succes nog een verzoek in, ditmaal om:

“… voor zijne rekening of die der kliniek door den tuin van het Ziekenhuis te laten leggen een electrische leiding, afkomstig van het Staatsspoor gaande naar de Röntgenapparaten, wellicht ook naar de operatiekamer.”

De stad Utrecht had nog geen elektriciteitscentrale en met deze stroomvoorziening was hij verlost van de nadelen die de accu’s met zich meebrachten. Deze namen veel plaats in, scheidden een zure lucht af en moesten regelmatig bij de leverancier worden opgeladen.

Röntgenjournaals uit 1912 t/m 1922 getuigen van behandelingen in deze kliniek, al had men al in 1908 een röntgenkamer die voor therapie geschikt was. Vanaf september 1912 voerde men ongeveer vijftig bestralingen per maand uit, waarvoor uit meerdere typen buizen kon worden gekozen. De gemiddelde leeftijd van de patiënten was in de eerste jaren om en nabij 22 jaar en de behandelingen betroffen voornamelijk aan tbc gerelateerde indicaties, met uitzondering van de longaandoeningen. In de loop der tijd zou het aandeel verschuiven naar andere aandoeningen, waaronder vergrote klieren in de hals en artritis. Het aantal bestralingen was per patiënt soms bijzonder hoog, voor vergrote klieren oplopend tot meer dan 170. In 1922 breidde Heelkunde het bestralingsarsenaal uit met 3 mg radium à 1200 gulden, een aanzienlijk bedrag voor zo’n kleine hoeveelheid. Aan de aankoop was dan ook vijf jaar lang zoeken en twijfelen vooraf gegaan.

In 1918 werd chirurg en assistent C.H. Kok benoemd tot privaatdocent in de radiologie. Twee jaar later publiceerde hij een overzicht van twaalf behandelingen van borstkanker die in 1917 in de kliniek waren uitgevoerd. Deze gevallen waren in te delen in:

1. “Die gevallen, waar om een of andere reden operatie onmogelijk of ongewenscht is.
2. Na operatie, die gevallen, waar niet volkomen radicaal kon geopereerd worden.
3. Hopelooze recidieven.”

De bestralingen werden uitgevoerd met een buisspanning van ‘22 cm vonk’ en een stroomsterkte van 4 mA. De blootstelling duurde per keer tien minuten en de focus-huid afstand bedroeg 20 cm. Het filter bestond uit 3 mm Al en de bestralingsvelden waren 10 cm in doorsnede. In zijn verslag concludeerde Kok dat “ook zonder operatie door X-stralen goede resultaten bij borstkanker [waren] te verkrijgen”. Opmerkelijk was zijn waarneming na dertig bestralingen van een vuistgrote tumor. Deze was verdwenen en ook na twee en een half jaar waren geen afwijkingen meer zichtbaar. Daarnaast bleken “de cellen uit bestraalde kankerzweren, zóódanig te veranderen, dat zwavel in een of anderen vorm vrij[kwam] en scheikundig [was] aan te toonen.”

Na de benoeming van dermatoloog Th.M. van Leeuwen tot hoogleraar in 1919, ontstond vanuit de heelkunde de Kliniek voor Huid- en Geslachtsziekten. Deze kliniek meldde in de jaarverslagen van het ziekenhuis vanaf 1929 de aantallen röntgen- en radiumbehandelingen, al werden patiënten al eerder bestraald. Sommige radiumbehandelingen, zoals van vaatgezwellen bij kinderen, bestonden uit talrijke, kortdurende bestralingen. Bestralingen van huidkanker liepen daarentegen op tot 300 mgr∙ur. De arbeidsintensieve behandelingen met radium namen vanaf 1939 af na de installatie van een röntgencontact-apparaat. Zeer populair was de röntgenbestraling als ontharingsmiddel bij de behandeling van schimmels op het hoofd. Voor de epilatie kwamen jaarlijks zo’n vijf patiënten uit de stad, twintig uit de provincie en vijftig van elders. Van Leeuwen gebruikte de straling ook tegen wratten, eczeem, psoriasis, acne met diepe infiltraten, nagelafwijkingen tengevolge van ontsteking, keloïden en nog eens talloze huidziekten. Ontoelaatbaar noemde hij behandelingen van die plekken die eerder door röntgenstraling waren beschadigd, zo ook behandeling met als doel blijvende kaalheid en behandeling ter vernietiging van klierweefsel. Evenmin zag hij de röntgenontharing bij trichophytia barbae (schimmel in de hals) geoorloofd, vanwege de stralenbelasting van onderliggend slijmvlies, klieren en zenuwen. Om het hele gelaat te bestralen zouden namelijk vijf velden nodig zijn, die elkaar in de mondholte kruisen, zonder gedeeltelijk door botweefsel te worden geabsorbeerd.

In 1915 uitte hoogleraar B.J. Kouwer vanuit de Vrouwenkliniek zijn bezorgdheid over de stralenbehandelingen door onwetende of anders roekeloze gynaecologen. Met verbazing had hij zelfs vernomen dat jonge meisjes wegens pijnlijke menstruatie waren bestraald en een jonge vrouw met een baarmoederfibroom ter genezing van de steriliteit op deze wijze was behandeld. Of de kliniek in die dagen haar eigen patiënten bestraalde, is niet bekend. In 1931 werd wel gebruik gemaakt van de diensten van de ‘Radiologie’ (de röntgenafdeling van de Geneeskundige Kliniek). Vanaf 1939 voerde Kouwers opvolger K. de Snoo zelf bestralingen uit met een röntgencontact-apparaat en radium. Voor de kliniek was 120 mg radium aangeschaft en een zelfde hoeveelheid kocht De Snoo uit eigen portemonnee.

Aan de röntgenafdeling van de Psychiatrisch-Neurologische Kliniek zijn twee bekende (diagnostiek)namen verbonden. Neuroloog H.W. Stenvers stond sinds 1914 aan het hoofd van de röntgenafdeling en tijdens zijn onderzoek naar de radiologie van de schedel ontwikkelde hij de zogenoemde ‘Stenversopname’. B.G. Ziedses des Plantes bedacht hier als student in het studiejaar 1921 -1922 als eerste de beginselen van de planigraaf. Omdat de reacties van omstanders erg lauw waren, zou hij zijn ideeën pas zeven jaar later uitwerken. Op de röntgenafdeling lag de nadruk vooral bij de diagnostiek, al werd met een in 1920 aangeschafte röntgeninstallatie ook enkele jaren behandeld.

In de voorgeschiedenis van de afdeling Radiotherapie (t/m de jaren veertig) behoorde de röntgenafdeling van de Geneeskundige Kliniek naast die van Heelkunde en Psychiatrie-Neurologie tot de drie grootste röntgenlocaties. Het zou in de jaren dertig de enige afdeling met ‘dieptetherapie’ (bestralingen met meer dan 100 kV als buisspanning) worden. Deze afdeling, waar de huidige Radiotherapie haar wortels heeft, wordt in het volgend stuk apart besproken.