Personal tools
You are here: Home Geschiedenis Geneeskundige Kliniek

Geneeskundige Kliniek

Aanloop tot een aparte afdeling voor stralenbehandeling.

Nadat Chirurgie en Gynaecologie in 1908 naar een eigen rijkskliniek (Gebouw II) waren verhuisd, onderging het oude Algemeen Ziekenhuis een uitgebreide verbouwing, waarbij voor de Geneeskundige Kliniek een ruimte vrij kwam voor een röntgenlaboratorium. Hoogleraar S. Talma  kreeg een ‘ruime lokaliteit’ in het achtergebouw, waar voorheen het pathologisch anatomisch laboratorium was gehuisvest. De kosten van de röntgeninrichting plus stroomvoorziening kwamen voor rekening van het Rijk. De verbouwing van het lokaal en de dagelijkse voorzieningen werden betaald door de gemeente, in ruil voor kosteloos gebruik van de installatie door de Stedelijke Afdeling. In 1910 konden de eerste onderzoeken worden uitgevoerd.

Gedurende tien jaar werd in het ‘röntgengebouw’ alleen diagnostiek toegepast. Talma’s opvolger Hijmans van den Bergh besloot in 1921 tot uitbreiding van de installatie, zodat ook kon worden behandeld. Tot de modernste apparatuur hoorden in deze jaren de zogenoemde ‘Coolidge-buizen’, die t.o.v. het conventionele type grote voordelen hadden. Maar een juiste bediening vereiste wel voldoende technisch inzicht, zoals uit veel berichten over stralingsongevallen bleek. Daarom werd voor de röntgenafdeling de Utrechter B.J. van der Plaats  als conservator (afdelingshoofd) aangesteld, die gepromoveerd was aan de faculteit Wis- en Natuurkunde en al ervaring had met de Coolidge-buis voor diagnostiek en therapie. Van der Plaats en zijn echtgenote zouden enkele jaren later hun artsdiploma halen en zich specialiseren in de Radiologie.

Door het groeiende aantal opdrachten veroverde de afdeling binnen de kliniek een belangrijke plaats. Met in totaal acht buizen in gebruik, waarvan twee voor therapie, verzocht men in 1927 dringend om nieuwe huisvesting. Daarnaast meldde de faculteit aan het College van Curatoren van de universiteit de noodzaak

“… dat er aan de studenten in de Geneeskunde en aan die in de Tandheelkunde onderwijs in de algemeene Radiologie zal worden gegeven. ... De ongelukken en de nadeelige gevolgen, die in sommige gevallen worden gevreesd, zullen worden voorkomen of zullen zeer worden beperkt door deskundig onderricht in stralenkunde aan de toekomstige artsen, veeartsen en tandartsen. ...
Er zou aan gedacht kunnen worden, den docent de beschikking te geven over een goed uitgerust afzonderlijk instituut, dat tevens een centrum zou kunnen worden van algemeen wetenschappelijk onderzoek der verschillende stralen. Echter zouden daarnaast … de Röntgenslaboratoria der klinieken moeten blijven bestaan.
Een veel goedkopere en meer doeltreffende oplossing zou worden verkregen, indien aan den Conservator van het Rontgenlaboratorium der Geneeskundige Kliniek naast zijn tegenwoordige werkzaamheden een leeropdracht werd gegeven.
De faculteit meent, dat voor deze functie een geschikte persoon is te vinden in den Conservator der Geneeskundige Kliniek, Dr. B.J. VAN DER PLAATS. Deze is doctor in de Wis- en Natuurkunde en Arts; hij beschikt over meer dan gewone ervaring in de Röntgenologie en is dan ook reeds nu de raadgever op dit gebied voor de meeste Utrechtsche Klinieken. In ons geheele land geldt hij reeds als autoriteit op het gebied der stralenkunde.
Het Röntgenlaboratorium, waar hij thans werkt, zou dus het hoofdterrein van zijn wetenschappelijke en practische werkzaamheid blijven.”

Het ministerie gaf toestemming voor de leeropdracht, maar Van der Plaats had inmiddels vanuit de Geneeskundige Hoogeschool in Batavia een hoogleraarschap in de radiologie aangeboden gekregen. Hij vertrok in de tweede helft van 1928 en de faculteit moest op zoek naar een andere kandidaat.

Hijmans van den Bergh, die goede ervaringen had met Van der Plaats als arts èn natuurkundige, vroeg R.H. de Waard  als nieuwe conservator. De Waard was eveneens doctor in de wis- en natuurkunde en zou in 1929 zijn artsenopleiding afronden. De faculteit stelde hierbij direct voor, hem de leeropdracht aan te bieden, want er moest “niet langer gedraald” worden. Om zich in het vak te bekwamen, legde De Waard een studiebezoek in Berlijn af en op 1 oktober 1930 werd hij lector in de radiologie. Hiermee begon men als laatste grote Nederlandse universiteit met onderwijs in dit vak. Op de afdeling kreeg De Waard leiding over: “1 vast-assistent, 1 technicus 2de klasse, 1 amanuensis en overig los personeel”.

In het jaarverslag van het ziekenhuis brachten de klinieken en afdelingen verslag uit over het betreffende jaar. De Waard meldde in deze verslagen gedurende zijn loopbaan de patiënt- en zittingsaantallen. Daarnaast beschreef hij vaak de situatie van de afdeling waarbij hij regelmatig ruimtegebrek en apparatuurtekort aankaartte. Zo bleek in de eerste helft van de jaren dertig behoefte aan een goede wachtruimte. Patiënten moesten dikwijls gedurende lange tijd op de kille hoofdgang wachten, waar door het drukke verkeer de tochtdeuren hun functie hadden verloren. Maar de onvoldoende behuizing was eigenlijk in algemene zin een ernstig probleem:

“De ruimte is niet alleen te klein, maar ook weinig doelmatig ingedeeld. Hierdoor wordt niet efficient gebruik gemaakt van apparatuur en personeel. Op drukke dagen moet daardoor veel werk haastig worden afgedaan. Tijdrovende zoekings- en behandelingsmethoden blijven soms achterwege. Door tijdgebrek is men nog niet toegekomen om de door Coutard bedachte behandelingsmethode [met meer fracties] voor bepaalde carcinomen geheel volgens zijn voorschriften uit te voeren en moeten zowel de duur van de zittingen worden bekort als het aantal zittingen worden gereduceerd.”

Door het toenemende aantal opdrachten kon met het beschikbare budget nauwelijks verbruiksartikelen als buizen en films worden betaald. In veel gevallen werd onderzoek door te hoge kosten zelfs niet meer uitgevoerd en bleven noodzakelijke vernieuwingen achterwege. De problemen werden in 1934 in de bestuursorganen besproken. Bij de inrichting van de afdeling waren inderdaad ernstige fouten gemaakt. En gebruik van de vrij gekomen noordelijke voorvleugel van het gebouw kon de situatie wellicht grondig verbeteren.

Een belangrijker aandachtspunt vormde het eventueel oprichten van een centraal röntgeninstituut, een onderwerp dat ook al in de jaren twintig was besproken. Men legde een werkbezoek af in Groningen bij het Radiologisch Instituut, waar op het terrein van het academisch ziekenhuis diagnostiek en therapie werd toegepast. Het instituut was een afzonderlijke stichting met als uitgangspunt dat de faciliteiten voor alle patiënten uit de stad en de provincie beschikbaar moesten zijn. Dit vormde in Utrecht juist een discussiepunt. Enerzijds zou het instituut hiermee extra inkomsten ontvangen en kon het de bevolking een alternatief bieden voor de (duurdere) particuliere instellingen. Anderzijds was concurrentie niet de opzet. Vast stond alleen dat het instituut voortreffelijk moest worden ingericht, zelfs als dit ten koste zou gaan van de klinieken met beperkte apparatuur, die hierdoor alleen nog eenvoudige diagnostiek konden beoefenen. Maar in 1935 sprak Hijmans van den Bergh toch zijn bedenkingen uit. Hij vreesde dat De Waard te veel in beslag zou worden genomen. Ten eerste door het werk voor de andere klinieken, tenzij zijn werk tot consulten werd beperkt, en ten tweede door het werk voor derden, waarbij particuliere artsen hem met bezoeken zouden overstelpen. Hierdoor zou de lector geen tijd meer overhouden voor wetenschappelijk werk. De discussie rond de centralisatie was hiermee beëindigd.

Medio 1936 begon de uitbreiding en verbetering van de afdeling, in de noordelijke achtervleugel van het gebouw. In de loop van het jaar kwam het therapiegedeelte gereed met vernieuwde apparatuur van ENRAF (Eerste Nederlandsche Röntgen Apparaten Fabriek). Voor de afdeling leek meer dan één bestralingstoestel niet nodig, omdat de Vrouwenkliniek in Gebouw II ook tot investering in dieptetherapie-apparatuur (100 kV tot 250 kV) zou overgaan. Maar de besteding voor de Vrouwenkliniek werd door de Minister geweigerd vanwege zijn bezwaar tegen decentralisatie van de röntgenologie. Dit had tot gevolg dat het therapie-apparaat van de röntgenafdeling voor alle klinieken beschikbaar moest zijn en zwaar belast werd. Meer dan de helft van de bijna 2800 bestralingen waren voor de in gebouwen II en III gevestigde (poli-) klinieken. In het jaarverslag van 1939 meldde De Waard hierover:

“Onder de bestaande omstandigheden (bezettingen in het buitenland en mobilisatie in Nederland) moeten de bestralingskuren steeds tot het uiterste worden bekort en kunnen meer tijdroovende bestralingsmethoden – ook wanneer deze voor de patiënten gewenst lijken – niet worden toegepast. Ook moeten patiënten die voor het ondergaan van een bestralingskuur in het ziekenhuis zijn opgenomen herhaaldelijk dagen lang wachten voor ze aan de beurt kunnen komen. Het behoeft geen betoog, dat deze toestand niet mag worden bestendigd en uitbreiding van de therapie-installatie dringend noodig is.”

Een jaar na de Duitse inval verzocht De Waard reservemateriaal aan te schaffen ter waarde van 8200 gulden. Maar het Dagelijks Bestuur besloot “niet dermate aan angst voor het verkrijgen der materialen onderhevig te zijn als Dr De Waard” en een veel kleiner bedrag hiervoor uit te geven. Of met het voorgestelde bedrag de aankomende problemen voorkomen hadden kunnen worden blijft de vraag:

“Na augustus 1944 was het bij het optreden van storingen niet meer mogelijk technische hulp te krijgen van de leveranciers en het therapie-apparaat moest de laatste maanden zelfs geheel buiten gebruik worden gesteld. Hierdoor kwam ten duidelijkste naar voren hoe onjuist het is dat in het geheele ziekenhuis-complex slechts één apparaat beschikbaar is, waarmede onder de huid gelegen afwijkingen met Röntgenstralen kunnen worden behandeld.”

In 1946 voorzagen de bestuursorganen van het ziekenhuis door de steeds verdergaande specialisatie binnen het vakgebied de behoefte aan aparte hoogleraarschappen voor diagnostiek en therapie. De mening werd door De Waard gedeeld en werd ook door de universiteit aan het ministerie voorgelegd. Maar de toestemming bleef uit. Daarnaast constateerde het ziekenhuis dat de radiologie  niet voldoende van apparatuur was voorzien. Het liep vergeleken met andere afdelingen en instituten ver achter. Het ziekenhuis liet in 1948 aan de curatoren weten:

“Het is ons bekend, dat de Stichting Stads- en Academisch Ziekenhuis het tekort ten opzichte van de behandeling der patiënten inziet en bereid is de consequenties daaruit te trekken. De noodzakelijke materiele voorzieningen zijn daardoor waarschijnlijk gewaarborgd.
De wetenschappelijke beoefening der stralenleer zal echter niet tot de noodzakelijke bloei kunnen komen, wanneer niet door de Universiteit de daarvoor nodige voorzieningen worden getroffen. Het huldeblijk, aan H.M. Koningin Wilhelmina bij haar aftreden in de vorm van een fonds voor de kankerbestrijding aangeboden, zal slechts dan ten volle aan zijn bestemming beantwoorden, wanneer de gelegenheid wordt geschapen om naar nieuwe wegen te zoeken teneinde ook de stralenleer en de kankerbestrijding het meest effectief te maken. Naar onze mening behoort een dergelijke gelegenheid aan een Universiteit te worden gebonden. Indien – en deze mogelijkheid bestaat niet alleen in theorie – deze wetenschapbeoefenig aan de instituten voor de kankerbestrijding zou worden gekoppeld, zou dit een beperking betekenen die aan het geheel van de radiologie niet ten goede zou komen.”

Over een mogelijke kandidaat voor de Utrechtse universiteit bestond geen twijfel:

“Bij de besprekingen en uit de van elders ontvangen inlichtingen en beschouwingen bleek, dat in ons land één candidaat zo sterk boven de anderen uitstak, dat men vrijwel kan zeggen dat hij de enige is die volledig voldoet aan de eisen die de Faculteit zich had gesteld. Dit is de persoon van Dr R.H. de Waard, thans conservator bij de Kliniek de inwendige ziekten aan de Rijks-Universiteit te Utrecht...
Als tweede in de reeks der candidaten meent de Faculteit te moeten beschouwen Dr D. den Hoet, röntgenoloog te Rotterdam. De verdiensten van Dr D. den Hoet liggen voornamelijk op het gebied der practische therapie, waarop hij zich een grote naam verworven heeft. Dr den Hoet mist echter de eigenschappen die hem tot de aangewezen man zouden maken om de plaats te bezetten die het centrum moet worden van de theoretische bestudering van de met de radiologie samen hangende vraagstukken.”

De minder grote belangstelling voor Den Hoed bleek ook wel uit de gemaakte spelfout in de achternaam. De voorkeur was dus duidelijk en met het aanbod moest haast worden gemaakt, omdat

“… Dr de Waard ver gevorderde onderhandelingen voert met het Nederlandse Kankersinstituut om in het verband van dit Instituut te treden. Het ... gevaar dat de wetenschappelijke beoefening der radiologie haar zwaartepunt in het Kankerinstituut zou vinden wordt daardoor acuut. Tevens zou dan echter de Rijks-Universiteit te Utrecht worden beroofd van de kracht op wie thans èn de wetenschappelijke beoefening der radiologie èn de stralentherapie in het Stads- en Academisch Ziekenhuis rust. Daar het uitgesloten moet worden geacht dat als opvolger van Dr de Waard een enigszins met hem te vergelijken opvolger zou kunnen worden gevonden, zou de toestand ontstaan, dat in het Academisch Ziekenhuis te Utrecht de stralentherapie volledig zou worden stop gezet.”

De genoemde onderhandelingen hadden betrekking op een vacature in een onderafdeling van het NKI in Deventer, het huidige RISO. Maar deze konden worden afgeblazen, want op 22 september 1949 zou De Waard worden benoemd tot hoogleraar in de röntgenologie, wat op 21 november werd gewijzigd in de stralenleer. Als zijn ressort zou een Instituut voor Medische Radiologie worden gebouwd. Hier kon de hele röntgentherapie worden ondergebracht en nieuwe diagnostiekmethoden worden uitgewerkt en toegepast. Routinematig onderzoek zou op de bestaande afdeling achterblijven. Omdat achter de Geneeskundige Kliniek ‘geen ruimte’ was, werd na uiteindelijke instemming van De Waard als locatie het souterrain onder de röntgenafdeling gekozen. Hier werden voor het instituut taken weggelegd in:

1.“de behandeling met roentgenstralen en radioactieve stoffen van alle patienten van de verschillende universiteitsklinieken en poliklinieken die deze behandeling behoeven voor de andere aandoeningen dan oppervlakkige huidziekten
2.de theoretische en technische ontwikkeling en de toepassing van bizondere methoden van roentgenonderzoek die speciale materiele voorzieningen eisen,
3.wetenschappelijk onderzoek op het gebied van stralenbehandeling en roentgendiagnostiek.”