Personal tools
You are here: Home Geschiedenis Instituut voor Medische Radiologie

Instituut voor Medische Radiologie

Radiotherapie na de oorlog.

Vooruitlopend op de nieuwe behuizing kon De Waard vanaf 1949 eigen personeel in dienst nemen en was het instituut daarmee administratief ontstaan. Tijdens de aanloop werd ook nieuwe apparatuur in bedrijf gesteld, waaronder een ‘Maximar’ van General Electric, met een maximale buisspanning van 250 kV. Het oude ENRAF toestel kon daardoor een hoognodige revisie ondergaan. Het toestel was de laatste jaren vrijwel zonder onderbreking in bedrijf geweest. Ondertussen vond op de röntgenafdeling een “explosieve toename van werkzaamheden” plaats. Ondanks gebruik van doorlichtingapparatuur op andere afdelingen liep het aantal röntgenfoto’s in twee jaar tijd op van 16 tot 37,5  duizend exemplaren. Gezien het steeds groter ontstane ruimtegebrek was een spoedige afscheiding dan ook aan beide kanten gewenst. Niettemin werd vanuit het ministerie pas in december ’51 goedkeuring voor de bouw van het instituut verleend. Het gaf hierbij nog wel aan dat voor een eventuele ‘cobaltbom’ (een cobalttoestel voor teletherapie) extra voorzieningen nodig waren. Maar hierop werd geantwoord dat voorlopig niet tot deze techniek zou worden overgaan en

“Mocht dit wel geschieden, dan zal de plaatsing in geen geval in de kelder, doch in een vrijstaand gebouwtje gebeuren.”

In 1953 kwam de huisvesting gereed. De eerste bestralingen werden in mei uitgevoerd en een half jaar later vond het eerste röntgenonderzoek plaats. Op 30 oktober volgde de officiële opening door de bestuursvoorzitter van het Stads- en Academisch Ziekenhuis. Per dag bezochten ongeveer 70 patiënten het instituut, terwijl de capaciteit op ruim 100 patiënten lag. Hiervoor had de hoogleraar met drie assistenten, twee leerlingbedienden en een schrijfster de beschikking over:

1.“drie volledige installaties voor diepe röntgenbestralingen, waarvan een werd bekostigd door het Koningin Wilhelminafonds,
2.een apparaat voor oppervlakkige [contact-] röntgentherapie,
3.een volledige installatie voor röntgenonderzoek waarmee kan worden gewerkt met spanningen tot 125 kilovolt, met de hulpapparaten die in geen enkel ziekenhuis van enige omvang kunnen worden gemist; het ligt ook op den duur niet in de bedoeling anders dan bij uitzondering voor bizondere doeleinden zeer speciale hulpapparaten aan te schaffen,
4.een volledige hoogspanningsinstallatie voor spanningen tot 90 kilovolt met hulpapparaten, voor experimentele doeleinden,
5.een donkere kamer-installatie met droogkasten en ander toebehoren,
6.een stel radiumnaalden met in totaal 60 mgr. radium, bekostigd door het Koningin Wilhelminafonds.”

Vanaf juni 1953 werd in de bibliotheek c.q. conferentiekamer onderdak geboden aan het een half jaar oude Utrechts Universitair Kankercentrum, dat nog geen eigen huisvesting had. Het U.U.K.C. hield zich bezig met documentatie en registratie van de behandelingsmethoden en -resultaten en voerde o.a. de ‘follow-up’ uit van kankerpatiënten, die in de (poli-)klinieken waren onderzocht en behandeld. Pas in 1960 zou het centrum verhuizen naar een eigen onderkomen.

Eind 1954 was de technische inrichting van de afdeling, waaraan o.a. het KWF met 45 duizend gulden had bijgedragen, nagenoeg afgerond. Het oude dieptetherapie-apparaat was vervangen door een modern, voor rotatiebestraling geschikt toestel. Hulpmiddelen waren aangeschaft voor reguliere en experimentele röntgentoestellen en de werkplaats werd uitgerust met o.a. een draaibank. Drie jaar later volgde de aanschaf van een beeldversterker, die samen met de aanvang van periodieke persoonsdosimetrie met filmstrookjes een belangrijke verbetering vormde op het gebied van de stralingshygiëne. Maar de investeringen ten spijt liep vanaf 1955 het aantal patiënten geleidelijk terug. Een landelijke toename van het aantal röntgenafdelingen met therapietoestellen veroorzaakte een groeiende concurrentie vanuit Utrecht, Amersfoort, Ede, Wageningen, Den Bosch, Hilversum en Bussum. Modern uitgeruste ziekenhuizen deden niet onder voor De Waards afdeling, die het patiëntenaanbod zelfs tot de helft zag afnemen.

Intussen kregen nieuwe technische mogelijkheden op het gebied van dieper doordringbare straling steeds meer aandacht en de radiotherapie bleek zich in de richting van deze zogenoemde super- of megavoltherapie te gaan ontwikkelen. Vanaf de tweede helft van de jaren vijftig maakte De Waard zich daarom sterk voor een nieuwe (kostbare) investering:

“De ontwikkeling van de radiotherapie gaat de laatste jaren duidelijk in de richting van zeer hoge spanningen – megavolttherapie tot 10.000 kilovolt in plaats van de gangbare 200 tot 250 kilovolt – en het gebruik van betrekkelijk grote hoeveelheden radioactieve isotopen. De stralenbescherming eist daarbij bouwkundige voorzieningen, die niet met eenvoudige middelen kunnen worden verwezenlijkt.”

In 1960 stelde hij de bouw van een nieuwe afdeling voor, die volgens hem op korte termijn kon worden gerealiseerd, gezien de mogelijke algehele nieuwbouw voor het ziekenhuis in de Johannapolder (De Uithof):

“Aangezien zulk een instituut uit veiligheidsoverweging toch een afzonderlijke behuizing nodig heeft, behoeft met de bouw ook zeker niet te worden gewacht tot de voor alle andere gebouwen te maken plannen volledig zijn uitgewerkt, en dit temeer niet omdat het instituut ook bouwkundig een geheel eigen karakter zal moeten krijgen …”

Een volledig programma van eisen, die een indruk gaven van de omvang van het grotendeels ondergrondse radiotherapeutisch instituut, kreeg zowel binnen het bestuur als de faculteit goedkeuring. Maar de bouwcommissie stelde vast dat de realisering om planologische redenen nog tal van jaren zou gaan duren. Daarop drong De Waard aan om snel uitbreidingsmogelijkheden op het huidige ziekenhuisterrein te onderzoeken. Intussen werd megavolttherapie toegepast in Leiden, Den Haag, Rotterdam, Tilburg, Eindhoven, Amsterdam en Deventer en een achterstand, zo stelde hij, zou in Utrecht zijn weerslag hebben op het hele academisch ziekenhuis. Het probleem werd onderkend. De afdeling zou worden uitgebreid met een nieuw bouwdeel met twee speciale ruimten voor megavoltapparatuur. Deze apparatuur zou uit wetenschappelijk oogpunt gaan bestaan uit twee verschillende teletherapietoestellen: een cobaltstraler en een lineaire versneller. De Waard hoopte aanvankelijk dat de nieuwbouw in 1963 zou worden opgeleverd, maar door ziekenhuis-brede discussies over uitbreidingen van afdelingen zouden de eerste werkzaamheden pas in 1964 beginnen.

Vooruitlopend op de megavoltbestralingen werden vanaf 1963 al enkele nieuwe insteltechnieken ingevoerd. Met moderne tafels en statieven werden isocentrische bestralingen mogelijk en voor KNO-patiënten maakte men individuele plastic maskers. De hiermee opgedane ervaringen konden later van pas komen.

Tijdens de voorbereidingen van de nieuwbouw voor megavolttherapie had De Waard in 1961 geprobeerd de discussie op gang te brengen over splitsing van de radiologie. Hij wenste zich in 1963, wanneer hij zijn pensioengerechtigde leeftijd bereikte, als hoogleraar terug te trekken uit de röntgendiagnostiek, om zich volledig te kunnen concentreren op de aanvang van megavolttherapie (pas later werd bekend dat de nieuwbouw zou worden uitgesteld). Voor de vertegenwoordiging van de röntgendiagnostiek moest zijns inziens een nieuwe leerstoel worden aangevraagd. Twee jaar later kaartte hij de zaak nogmaals aan, met het verzoek per 1 september 1963 zijn eigen leerstoel te veranderen van ‘stralenleer’ in ‘stralenbehandeling’ of ‘radiotherapie’. In de brief uitte hij bovendien zijn onvrede over de gang van zaken in de gedecentraliseerde röntgendiagnostiek:

“De roentgendiagnostiek speelt in de moderne geneeskunde een zo grote rol dat de universiteit aan de opleiding in dat onderdeel grote zorg dient te besteden. Hiervoor is echter niet voldoende dat zij formeel door een hoogleraar wordt vertegenwoordigd; deze hoogleraar dient ook in feite bij alle facetten van het roentgenonderzoek betrokken te zijn. De tendens in de Utrechtse Academische Klinieken is echter dit onderzoek zo veel mogelijk buiten deze hoogleraar om in eigen beheer te verzorgen ... ”

De diagnostiek lag verspreid over dertien locaties en geen van de betrokken klinieken toonde zich bereid mee te werken aan verandering van deze situatie. De nieuwe hoogleraar zou volgens hen hooguit het onderwijs moeten coördineren. Het leek de faculteit daarom verstandig de radiologie wel te splitsen in een therapeutisch en een diagnostisch deel, maar eerst alle aandacht te wijden aan de toekomstige megavolttherapie. De wijziging van de leerstoel in de stralenleer vond uiteindelijk bij Koninklijk Besluit plaats op 1 juni 1965. Maar ondanks de wijziging zou De Waard bij gebrek aan een alternatief het onderwijs in de röntgendiagnostiek tot zijn emeritaat blijven regelen, waardoor het ziekenhuis geen risico kon lopen de erkenning van de radiologische opleiding te verliezen.

Op De Waards eigen afdeling viel wat betreft het praktisch onderricht in röntgendiagnostiek steeds minder eer te behalen. Om assistenten in de radiologie met alle facetten van het röntgenonderzoek kennis te laten maken, moesten zij voor een groot deel van hun opleiding worden gedetacheerd op de röntgenafdelingen van Interne Geneeskunde, Heelkunde en Neurologie. Daarnaast viel rond 1960 de verandering van het aandeel in verschillende typen van röntgendiagnostiek voor De Waard erg nadelig uit. Door het groeiende aantal opdrachten voor Reumatologie werden de werkzaamheden eenzijdig en ook de daling in het aantal klassepatiënten bemoeilijkte het opleiden. Maar al lag zijn bekwaamheid meer bij de behandeling dan bij het onderzoek, hij was op beide gebieden voor veel assistenten een geliefd promotor. In totaal begeleidde hij zeventien promotieonderzoeken, waarvan het merendeel betrekking had op diagnostiek. Drie daarvan vonden op de eigen afdeling plaats en betroffen de lymfografie en angiografie. Naast de röntgendiagnostiek werd op de afdeling vanaf 1964 met radio-isotopen scintigrafisch onderzoek uitgevoerd. De Scintigrafie zou als subafdeling onder leiding van C.H. Rering spoedig uitwijken naar een van de nabij gelegen barakken en uitgroeien tot een praktijk met 835 onderzoeken in 1970.

De zoektocht naar een opvolger van De Waard was moeilijk vanwege de grote schaarste aan geschikte specialisten. Slechts één naam kwam uit de adviezen van zusterfaculteiten naar voren, maar deze persoon bedankte voor het aanbod. Navraag in landen waar de radiotherapie al langer een erkend afzonderlijk specialisme was, leverde in eerste instantie evenmin iets op. De faculteit overwoog inmiddels een veelbelovende jonge radioloog in het buitenland te laten opleiden, toen de 64-jarige Australiër dr. H.J. Ham zich als kandidaat meldde. Ham was lector aan de Universiteit van Sydney en zeer ervaren in de radiotherapie. Hij zou door de faculteit in 1966 als enige kandidaat worden voorgedragen en op 8 september worden benoemd tot hoogleraar in de stralenbehandeling. Op 2 januari 1967 volgde hij De Waard op als hoofd van de afdeling.