Personal tools
You are here: Home Geschiedenis Instituut voor Radiotherapie

Instituut voor Radiotherapie

Radiotherapie van medio jaren 60 tot medio jaren 80

Sinds 1965 vonden tussen het Academisch Ziekenhuis en vijf overige Utrechtse ziekenhuizen gesprekken plaats over vergaande samenwerking op het gebied van radiotherapie. De belangrijkste doelstelling was de bestralingen alleen te laten uitvoeren door speciaal daarvoor opgeleide artsen, die door het behandelen van veel patiënten voortdurend ervaring konden opdoen. Zij dienden te beschikken over uitgebreide voorzieningen in een gezamenlijk te stichten radiotherapeutisch instituut. Besloten werd dit ‘selfsupporting’ instituut te vestigen in de afdeling van De Waard, waarin het volgende jaar de kostbare apparatuur voor megavolttherapie zou worden geïnstalleerd. Na het vertrek van De Waard in februari 1967 nam zijn Australische opvolger Ham de taak op zich om binnen een kort bestek het centraal instituut voor radiotherapie op te bouwen.

In de Utrechtse klinieken was al jaren uitgekeken naar de megavolttherapie en vanaf de installatie van de cobaltstraler en de versneller groeide de patiëntenstroom voor curatieve behandelingen vanuit het ziekenhuis en de regio dan ook sterk. Het aantal patiënten nam zelfs zo snel toe, dat Ham door een dreigende ondercapaciteit in 1968 een aanvraag indiende voor een extra cobalttoestel. Deze werd gehonoreerd en na een verbouwing werd eind 1969 een ‘Kleine Cobalt’ met de inmiddels zwak geworden bron van de ‘Grote Cobalt’ geïnstalleerd. Deze capaciteitsuitbreiding was bepaald geen overbodige luxe, gezien de verviervoudiging van het aantal doorverwijzingen vanuit de regio ten opzichte van 1966. Maar met de uitbreiding van het aantal toestellen groeide ook het personeelsbestand, waarvoor het nieuwe gebouw al snel te weinig werkruimte en daglicht bood. De arbeidsinspectie liet met een verwijzing naar een artikel ‘Neurose im geschlossenen Raum’ weten dat de inrichting op deze punten:

“niet voldoet aan de wettelijke normen en verder in scherp contrast is met het sociale milieu voor de werkende mens, dat thans als normaal moet worden aangenomen.”

Hierbij werd onderkend: het afdalen in de grond, het ontbreken van voldoende mogelijkheid  om buiten de directe werkruimte enige verpozing te hebben, de over het algemeen te kleine en bedompte werkruimten, de psychische belasting door de bijzondere zorgvuldigheid die bij dit werk in acht moest worden genomen en het ernstige karakter van het werk. Ook Ham, die niet gewend was aan een ondergrondse afdeling, kaartte deze punten aan. Volgens hem waren de koffiekamer (40) en de mouldroom (13) veel te klein, ontbrak een rustige plek voor het diëtistenspreekuur en was er geen werkruimte beschikbaar voor de drie toekomstige assistenten en de nog aan te stellen vierde radiotherapeut. Maar het ziekenhuis voerde, met de nieuwbouw in het vooruitzicht, een zuinig beleid en de verbetering van de situatie bleef daarom beperkt tot een paar interne verschuivingen en een extra kantoorruimte in de toegangshal. Ook zouden de arbeidstijden in de gaten worden gehouden. Oplossingen die de arbeidsinspectie zelf had voorgesteld, zoals het aanbrengen van een grote lichtkap boven de wachtruimte, waren te kostbaar of anderszins onmogelijk.

Naast het ruimtegebrek was voor Ham de ontwikkeling naar een centraal instituut minstens zo problematisch. Radiologen die in de regio graag therapie bedreven, moesten bereid worden gevonden zich te beperken tot de diagnostiek en de behandelingen aan Ham en zijn stafleden over te dragen. Bovendien was er een (landelijk) tekort aan radiotherapeutisch assistenten, terwijl het patiëntenaanbod op de afdeling groeide en de radiotherapeuten in de regionale ziekenhuizen als buitengewoon staflid moesten gaan consulteren. Het tekort aan eigen bedden was een even zo groot probleem. De deelnemende ziekenhuizen eisten voor hun over te plaatsen patiënten minstens vijftien ‘open’ bedden, maar vanwege gebrek aan ruimte en verplegend personeel was dit binnen het academisch ziekenhuis niet voorhanden (De Waard had al in 1960 tevergeefs gepleit voor minstens twaalf eigen bedden, om het klinische deel van de röntgenopleiding te kunnen verzorgen). Al met al verliep het proces zo traag, dat Ham in 1970 het bestuur zijn spijt betuigde zijn functie te hebben aanvaard. Toch was hij zelf een van de belemmerende factoren in het proces; onder de radiologen in Utrecht en omgeving won hij ondanks z’n aimabele karakter niet veel vertrouwen.

Ondertussen nam het aantal bestralingen sterk toe en werd wederom een toekomstig capaciteitstekort voorzien. Maar een verdere uitbreiding van het aantal bunkers was volgens de directie om bouwkundige en financiële redenen niet haalbaar. Haar voorstel was het instellen van een tweeploegendienst en, in verband met het ruimteprobleem, de overdracht van “de laatste stukjes eigen diagnostiek” aan de nieuwe centrale röntgenafdeling. De diagnostiek taken werden vervolgens beëindigd, maar dit leverde niet direct de gewenste ruimte op. De röntgenafdeling onderging op de begane grond een uitgebreide verbouwing en kreeg enkele jaren de beschikking over de diagnostiekkamer, in afwachting op voldoende eigen capaciteit.

Wegens zijn naderende zeventigste levensjaar verliet Ham in 1971 de afdeling, waar vervolgens een jaar lang (medisch) staflid P. Palan de verantwoordelijkheid droeg. De leidinggevende taak werd in november 1972 weer overgedragen aan de nieuwe hoogleraar H.A. van Peperzeel, afkomstig van het AvL en het WG in Amsterdam. Voorafgaand aan haar aanstelling als hoogleraar was Van Peperzeel door de faculteit voorgedragen als de kandidaat met verreweg de sterkste papieren en met organisatorische en didactische gave. Slechts één hoogleraar had bezwaar gemaakt, maar dat was volgens de faculteit wegens “vage en gevoelsmatige indrukken op haar persoonlijkheid”. Zijn mening werd door andere adviseurs niet gedeeld. In Utrecht wist Van Peperzeel met haar groot enthousiasme, werklust en sociale vaardigheid de samenwerking met de regionale ziekenhuizen drastisch te verbeteren. Daarnaast ging zij nog voor de jaarwisseling akkoord met het voorstel van het ziekenhuisbestuur om de discussie rond de vorming van een afzonderlijk radiotherapeutisch centrum te beëindigen. De afdeling bleef onderdeel van het academisch ziekenhuis en zou zich als zodanig blijven ontwikkelen als regionaal radiotherapeutisch centrum.  

Was in het orthovolttijdperk de bestraling van kankerpatiënten in het land hoofdzakelijk verdeeld over de twee instituten in Amsterdam en Rotterdam, de betekenis van de overige centra nam sterk toe naarmate meer megavolttherapie werd toegepast. Dit gold ook duidelijk voor de Utrechtse afdeling, die in 1974 was omgevormd tot een volwaardig regionaal instituut voor radiotherapie van met name kwaadaardige tumoren. Ondergeschikte taken in de diagnostiek en scintigrafie waren al in 1971 overgedragen aan de nieuwe hoogleraren A.C. Klinkhamer (Röntgendiagnostiek) en K.H. Ephraïm (Nucleaire Geneeskunde). Ten opzichte van 1966 was daarentegen het aandeel maligne aandoeningen gestegen van 60% naar 90%. Het totaal aantal behandelingen was gestegen met een factor 3 en het aantal verwijzingen van buiten het ziekenhuis met een factor 9. De curatieve behandeling was, met als enige uitzondering de eenvoudige orthovolt- en contactbestralingen, in de regio geheel gecentraliseerd. Alleen voor zeer oppervlakkige aandoeningen verwees de afdeling haar patiënten door naar Dermatologie, waar men nog tot 1981 zou stralen met 10 tot 40 kV.

Omdat de vraag naar de megavoltbehandeling ook na 1974 zou blijven groeien, werden de mogelijkheden onderzocht voor een tweede radiotherapiecentrum in de regio. Twee jaar lang werd een locatie in het Amersfoortse Elisabeth Ziekenhuis (thans Eemland Ziekenhuis) besproken. Maar het achterliggende verzorgingsgebied bleek er zelfs te klein voor een kostendekkende exploitatie van slechts één cobaltapparaat. Voor de eigen afdeling werd in 1974 een verzoek ingediend om de Grote Cobalt te vervangen door een tweede lineaire versneller, die met een hogere stralingsintensiteit de zittingsduur aanzienlijk kon inkorten. De vervanging verliep voorspoedig om de aanschaf van een nieuwe cobaltbron (ter waarde van 145 duizend gulden) te kunnen uitsparen. De gewenste versneller, met de mogelijkheid van een 8 MV fotonenbundel en 2 t/m 10 MeV elektronenbundels, zou in 1976 worden geïnstalleerd.

Terwijl de afdeling zich ontwikkelde tot een gerespecteerd instituut, ontving het AZU schadeclaims van twee patiënten, die in de periode 1969 tot 1972 waren bestraald en later ernstige gezondheidsklachten hadden gekregen. De patiënten waren behandeld met een zelfde techniek, die sinds 1972 niet meer werd toegepast. Kort nadat nogmaals twee vergelijkbare claims waren ingediend, hielden in september ’74 de voorzitter van het AZU-bestuur, de medisch directeur en Van Peperzeel als afdelingshoofd, een persconferentie over mogelijk onjuiste bestralingen. Vervolgens werd nader onderzoek ingesteld, waaruit zou blijken dat bij de oude techniek de veldaansluitingen tot een onderhuidse overlapping hadden geleid. Door de verkregen overdosering was bij meerdere patiënten schade in het ruggenmerg ontstaan. De zeer dramatische zaak werd door de landelijke media breeduit belicht. Vanaf het begin bleef Van Peperzeel in alle openheid de afdeling naar buiten vertegenwoordigen. Langzaam aan herwon ze in een periode van jaren het vertrouwen in de behandelingen op haar afdeling.

Nadat de nieuwe versneller in 1976 onder de naam ‘(Linac) 10’ voor klinisch gebruik was vrijgegeven, werd een hoognodige revisie van de oude ‘6’ gestart. Deze vervanging en revisie hadden voor de behandelingen het gevolg dat ongeveer anderhalf jaar lang slechts één megavolttoestel beschikbaar was. Ter compensatie moest daarom in twee ploegen tot in de avonduren worden bestraald. Met grote inzet van vooral de laboranten bleef de productie en de toestelbezetting constant. Het jaarverslag meldde bovendien:

“Gelukkig is er weinig verloop van personeel op de afdeling, hetgeen mede te danken is door de goede werksfeer.”

Inmiddels was het personeelsbestand tussen 1969 en 1975 gegroeid van 27 naar 44 en liep het aantal verder op tot 59 in 1977. De ondergrondse afdeling bood per werknemer steeds minder ruimte. De koffiekamer was slechts 3 bij 3½ meter groot, de vier arts-assistenten en een staflid deelden gezamenlijk een werkruimte en net als deze ruimten was de bibliotheek annex vergaderruimte (voor hooguit twaalf personen) geheel inpandig. Daarnaast werd al jarenlang onderhandeld over de slechte ventilatie in het gebouw. In 1978 werd de situatie verbeterd met een extra verdieping, die als één van de interimvoorzieningen op het AZU-terrein werd gebouwd, in afwachting op de algehele nieuwbouw. De afdeling werd meer dan 500 m2 rijker voor onder meer stafkamers, een planningsruimte en de nieuwe koffiekamer annex leskamer en een patio, “die de al goede onderlinge sfeer onder de medewerkers ten goede [kwamen]”. Ook werden drie onderzoekkamers ingericht, zodat op de afdeling een verdeling viel te maken in de patiëntenstroom. Minder ernstig zieke patiënten kwamen hierdoor minder frequent in contact met ernstig zieken, die nog met hun bestralingsserie bezig waren. Naast deze uitbreiding onderging de Cirkelhof ook een facelift, waarover het jaarverslag meldde:

“Door de goed op elkaar afgestemde kleurencombinaties bij schilderwerk en inrichting en de plaatsing  van veel planten maakt deze afdeling op patiënten en medewerkers een plezierige indruk.”

Naast haar aanhoudend grote inspanningen voor de sociale aspecten op de afdeling zag Van Peperzeel zich belast met een steeds zwaarder wordend takenpakket. Om zich hiervan gedeeltelijk te ontlasten vroeg ze in 1977 een vervangingslectoraat aan, dat haar al in 1972 was toegekend, maar door gebrek aan geschikte kandidaten niet kon worden vervuld. In 1980, vlak na de vervanging van het lectorschap door het hoogleraarschap, kon deze vacature worden ingenomen door L.A. Ravasz, een radiotherapeut uit Tilburg, die vijf jaar voordien bij Van Peperzeel in Utrecht was gepromoveerd.

Door de inzet van de medische stafleden werd samenwerking in de regio ondertussen steeds grootschaliger. In een groeiend aantal ziekenhuizen werd geconsulteerd en oncologiebesprekingen gehouden. Er ontstonden oncologische werkgroepen, die regionale behandelrichtlijnen opstelden. De samenwerking zou vanaf 1980 meer gestructureerd worden door het IKMN (Integraal Kankercentrum Midden Nederland), dat in de regio als netwerkorganisatie in de oncologie met name de kankerregistratie zou opzetten, maar ook taken op zich nam voor het bereiken van meer homogeniteit in het regionale beleid. De radiotherapeuten konden in 1984 melden dat inmiddels zeven tumorgroepen waren gevormd en een ieder consulterend werk verrichtte. In twaalf ziekenhuizen hielden zij periodieke oncologiebesprekingen. Bovendien constateerde Van Peperzeel in de regio geen onderconsumptie voor radiotherapie. Dit was opmerkelijk, omdat de Gezondheidsraad had vastgesteld dat er landelijk gezien 50% van alle kankerincidenten in aanmerking kwam voor radiotherapie, maar slechts 35% daadwerkelijk werd bestraald.

In 1984 ontstond op de afdeling wederom een langdurige ondercapaciteit, die met overwerk moest worden gecompenseerd. Ditmaal lag de oorzaak bij de vervanging van de 6 MV versneller. Na 4600 uur effectief stralen en naar schatting 225.000 bestralingszittingen voldeed het zeventien jaar oude toestel niet meer aan de modernste eisen. Voor de oude ‘6’, die werd overgebracht naar TNO in Rijswijk, kwam de ‘20’ in de plaats, een Philips versneller met een keuzemogelijkheid voor 8 en 16 MV fotonenbundels en 2,5  t/m 20 MeV elektronenbundels. De vervanging noodzaakte de afdeling negen maanden lang in ploegendiensten tien uur per dag en zes dagen per week te stralen. Naast het overwerkprobleem was hier het behandelen buiten de normale werkuren des te minder eenvoudig door de afhankelijkheid van ondersteunende diensten, zoals patiëntenvervoer. Onderhoud en controlewerkzaamheden aan de toestellen werden alleen in uiterste gevallen uitgevoerd. Ondanks de overuren liepen de wachttijden op tot 4 à 5 weken, wat equivalent stond aan plusminus 3000 zittingen, en werden zo’n 300 patiënten per jaar doorverwezen naar radiotherapiecentra in naastgelegen regio’s of naar andere specialismen. Maar ook met twee lineaire versnellers en de Kleine Cobalt was de bestralingscapaciteit nog lang niet voldoende. En het probleem dreigde nog nijpender worden met een groter tekort aan laboranten wegens de aankomende arbeidstijdverkorting. Het was daarom in ieder geval noodzakelijk dat de bestralingscapaciteit binnen het verzorgingsgebied spoedig zou worden uitgebreid met minstens twee megavolttoestellen. Maar dit zou helaas niet op kort termijn worden gerealiseerd.

Onder de vele factoren achter de opbloei van de megavolttherapie bevonden zich o.a. de computerberekeningen van dosisverdelingen in de patiënt. De dosisverdeling was bij megavolttherapie veel minder complex dan bij orthovoltbestralingen en daarnaast werden inmiddels meer betrouwbare en compacte computers met transistors gebouwd. In Den Haag en Rijswijk werd in de tweede helft van de jaren zestig een eerste rekenprogramma geschreven voor ‘2 dimensionale’ megavolt dosisverdelingen. De programmatuur op ponskaarten kwam ook beschikbaar voor de Utrechtse Radiotherapie, die vanaf 1969 regelmatig gebruik maakte van het ACCU (Academisch Computer Centrum Utrecht). De rekenresultaten werden er afgewacht of later opgehaald. Optimalisatie van bundelinstellingen (treatment planning) werd in 1973 mogelijk met snellere berekeningen op de centrale IBM 1800 computer van het AZU, gestationeerd in het Zusterhuis. Beginnend met 1 uur in de ochtend kreeg de afdeling de gelegenheid van deze service gebruik te maken. In 1981 schafte de afdeling met een PDP 1134 een eigen planningscomputer aan, waarop het commerciële planningspakket TP-11 werd gedraaid. Dit systeem werd in 1986 weer vervangen door een 16 bits Tulip PC, met het zelf geschreven pakket LPS (Linden Planning System).

Bij de voorbereidingen op de nieuwbouw van het ziekenhuis was de bestralingscapaciteit vanaf het begin het voornaamste onderwerp van discussie. Als reactie op het (bouwkundig) programma van eisen meldde Van Peperzeel in 1979 dat zolang de afdeling actief patiënten uit de regio zou blijven trekken, er een aanzienlijke stijging van het aantal behandelingen zou optreden. De beschikbaar gestelde ruimte in de Uithof was afgestemd op 800 nieuwe patiënten per jaar en was veel te klein, los van de vraag of in de regio een tweede radiotherapieafdeling zou komen. Mocht een tweede centrum worden gebouwd (wat Van Peperzeels voorkeur genoot) dan kon in de Uithof een jaarlijks aanbod van 1200 nieuwe patiënten worden verwacht; in het andere geval 1600 patiënten. Men besloot daarop het oppervlak bij te stellen voor 1200 nieuwe patiënten per jaar, met een mogelijkheid voor een toekomstige uitbreiding.

Als geen andere afdeling bemoeide Radiotherapie zich met de voorbereidingen op de bouw, met name in de persoon van fysicus J. Schipper. Van begin tot eind volgde hij de ontwikkelingen, becommentarieerde ze en wist ze zonodig sterk te beïnvloeden. Zo werd na zijn kritiek op een inkrimping van het oppervlak, als compensatie de zuidelijke gang op niveau E.02. voorgesteld voor de stafleden van de afdeling. Schipper reageerde positief maar voegde aan zijn antwoord toe dat men rekening moest houden met de kans dat in de regio geen tweede centrum zou komen (de voorkeur van de stafleden, met uitzondering van Van Peperzeel) en de nieuwe afdeling in dat geval een patiëntenbestand van minimaal 1800 per jaar moest gaan verwerken. In dit jaar was nog geen keuze gemaakt, terwijl de tijd begon te dringen. Het starten van een nieuwe radiotherapeutische afdeling kostte immers zes jaar voorbereiding. Enigszins geïrriteerd uitte Van Peperzeel nogmaals haar voorkeur voor een tweede centrum, indien mogelijk gekoppeld aan het St. Antoniusziekenhuis in Nieuwegein:

“Een dergelijke afdeling wordt geacht zonder research, meer routinematig en goedkoper te kunnen werken, hoewel ik dat voor de Utrechtse situatie betwijfel gezien de uiterst goedkope wijze waarop de huidige afdeling Radiotherapie van het AZU moet functioneren.”

Zij wenste het behoud van de kleine afdeling, omdat in haar ogen grootschaligheid het risico van ‘dismanagement’ vergrootte. Bovendien zou de persoonlijke benadering van de patiënt verloren gaan en een fabrieksmatige aanpak optreden. Daarnaast zouden de stafleden zich gaan superspecialiseren en elkaars werk niet meer kunnen beoordelen of elkaar kunnen vervangen. Hier tegenover stonden de argumenten van de overige stafleden, waaronder Schipper: Een tweede centrum bood nauwelijks voordelen met betrekking tot reisafstanden (het AZU lag centraal in het verzorgingsgebied en was goed te bereiken), het zou een kostenstijging tot gevolg hebben, ontslag van medewerkers, vermindering van het patiëntenaanbod op andere oncologische afdelingen in het AZU en door onvoldoende wetenschappelijke staf zou de research grotendeels verdwijnen.

Binnen de deadline, die door de directie was gesteld, koos de afdeling in januari 1986 eensluidend voor een uitbreiding in de Uithof. Enkele weken later werden de laatste prognoses besproken, die aangaven dat nog voor 1990 een vierde versneller nodig was. Er was daarom behoefte aan vervroegde installatie in bouwdeel E. Voor het extra bouwdeel Q werden de vergunningen niet afgewacht en voorbereidingen getroffen voor de eerste bouwactiviteiten in oktober 1987. Aangezien de prognoses al rond het jaar 1994 2400 nieuwe patiënten aangaven, werd met bouwdeel Q het oorspronkelijke oppervlak verdubbeld. Vóór het eind van de (gefaseerde) verhuizing zou de afdeling in 1989 de beschikking hebben over zes megavolt-bestralingsruimten en drie simulatorruimten. Ook kon een grote personeelsuitbreiding worden ingezet, vooral bij de laborantengroep en de administratie. In 1987 zouden in totaal 83 medewerkers in dienst zijn.

In het algemeen kon worden vastgesteld, dat de radiotherapie zich na de introductie van de megavolttherapie veel succesvoller had ontwikkeld, dan men had verwacht. De relatief goedkope behandeling werd een steeds belangrijker alternatief voor de chirurgische ingreep, terwijl voor de chemotherapie en immunotherapie de grote doorbraak in de jaren tachtig uitbleef. Daarnaast nam de toepassing van combinatietherapie met de andere specialismen sterk toe. Een tweede factor kwam voort uit de verbeterde prognose na de behandeling. Het aantal patiënten dat eerder was bestraald was stijgende. En minstens zo belangrijk was de toename van het aantal ouderen in Nederland.

In 1986 werd de centralisatie van de radiotherapie afgerond. Aan de laatste drie ziekenhuizen binnen het verzorgingsgebied werd geen vergunning voor bestralingen (met orthovolt- en contactapparatuur) meer verleend. Deze grote mijlpaal viel samen met het vertrek van Van Peperzeel in oktober van het jaar. Ze werd lid van het college van bestuur van de universiteit en wegens haar leeftijd en de woelige situatie op de afdeling had zij besloten geen dubbele functie op zich te nemen. De voorafgaande sollicitatieprocedure voor de opvolging had geleid tot de aanstelling van J.J. Battermann, die op de afdeling een maand later zijn intrede deed.

Al jarenlang bestond in Utrecht veruit het hoogste aantal radiotherapeutische behandelingen per medewerker. In het instituut, waar een groot deel van de wetenschappelijke staf werd betaald door de universiteit, was de onderbezetting zodanig, dat onevenredig veel mensuren opgingen aan klinisch werk. De wetenschappelijke output bleef daarom tot het eind van de jaren zeventig relatief klein. Een verandering hierin kwam langzaam op gang met het klinisch/fysisch onderzoek ter verbetering van de bestralingstechniek voor het retino blastoom, een zeldzame oogaandoening die zich vooral manifesteert op zeer jonge leeftijd. De nieuwe techniek behelsde een megavoltbestraling, waarbij het oog nauwkeurig werd gepositioneerd en op elegante wijze gefixeerd. Vanaf 1971 werden vele patiëntjes uit binnen- en buitenland behandeld en de techniek zou door verschillende instituten worden overgenomen.

In 1978 werd als aanvulling op de behandeling van het retinoblastoom een hyperthermie-onderzoek gestart, dat als eerste project gefinancierd werd met KWF-gelden. Microgolven warmden het doelvolume op tot 41 à 44 ˚ en veroorzaakten een gunstig tumoreffect. Maar uiteindelijk zou Hyperthermie uitgroeien tot een onderzoekslijn voor planning en toepassing van oppervlakkige en regionale opwarming (plus interstitiële in de jaren negentig). De ontwikkeling van een thermisch model om de temperatuurverdeling door hyperthermie te berekenen, begon in 1984. Twee jaar later werd de bouw gestart van een volledig computergestuurd systeem voor oppervlakkige hyperthermie.

In 1974 werd in de voormalige diagnostiekruimte een radiobiologisch lab ingericht, waar het onderzoek zich o.a. toespitste op het vastleggen van effecten van bestraling op solide tumoren, met het oog op het bepalen van de prognose van patiënten. Een veel toegepaste meetmethode werd de flowcytometrie, waarmee o.a. de verdeling van de cellen over de verschillende fasen van de celcyclus werd bepaald. Voor een objectieve analyse van de meetresultaten werd de flowcytometer aangesloten op een PDP1110 computer, die de resultaten snel en objectief analyseerde.

In 1980 werd de derde researchlijn gestart, op het gebied van NMR (Nuclear Magnetic Resonance). Hierin werden de waarde en toepassingsmogelijkheden in de oncologie bepaald van NMR-afbeelding (MRI) en NMR-spectroscopie (MRS). De verkenning had in het bijzonder betrekking op weefselkarakterisering, lokalisatie en identificatie van o.a. tumoren en het evalueren van effecten van radiotherapie en/of hyperthermie. Het werk werd uitgevoerd in samenwerking met de TH-Delft en Philips Medical Systems, die in Best een NMR-toestel voor ziekenhuizen beschikbaar stelde, voor het verrichten van oriëntatieonderzoek. In 1986 schaften het AZU en de universiteit een eigen NMR-toestel aan.

De radiotherapeuten sloten zich vooral aan bij internationale onderzoeken (EORTC trials), waarin patiënten met gelijksoortige aandoeningen volgens een internationaal opgesteld protocol werden behandeld en de therapeutische resultaten werden geëvalueerd. Men nam deel aan de onderzoekslijnen en aan onderzoek op het vlak van radiotherapie van tumoren in het hoofd-halsgebeid. Verder kwamen onderwerpen aan de orde als multi- en hyperfractionering en de combinatie tussen radiotherapie en -sensitizers. Nadat in 1981 de totale lichaamsbestralingen (TBI) werden gestart, werd een langdurige studie aangevangen naar de late stralingsschade, waaronder stralingscataract.

Rond 1985 vond voor het Instituut voor Radiotherapie een budgettaire wijziging plaats, wat resulteerde in een kleinere financiële bijdrage vanuit de universiteit en een hoger budget van de zorgverzekeraars. De universiteit beperkte zich tot de salarissen van projectmedewerkers, waardoor Radiotherapie werd ontacademiseerd en (op papier) veranderde in een klinische afdeling. Het nieuwe klinisch budget van de zorgverzekeraars werd echter zodanig uitgebreid, dat al het wetenschappelijk werk toch kon worden voortgezet.