Personal tools
You are here: Home Geschiedenis Afdeling Radiotherapie

Afdeling Radiotherapie

Radiotherapie tot de uitbreiding in 2004.

Kort na de ontacademisering van de afdeling vond in 1987 een tweede budgettaire verandering plaats. Met het oog op de nieuwbouw in de Uithof werd de gehele AZU-organisatie verdeeld in clusters, die de beschikking kregen over een eigen personeelsformatie en budget. De afdeling vormde sindsdien met Röntgendiagnostiek en Nucleaire Geneeskunde het centrum (tegenwoordig de divisie) RRN. Met een gezamenlijk bedrijfsvoerend manager en een bedrijfsbureau ontstond tussen de vakgebieden op deze wijze na jaren weer een organisatorische band.

In het voorjaar van 1988 startten, geheel volgens planning, de eerste werkzaamheden voor de verhuizing naar de Uithof. In maart kwamen in bouwdeel E van het nieuwe ziekenhuis de eerste werkruimten vrij en werden de versnellers U1 (Uithof 1) en U2 samen met de lokalisator/simulator Lok1 geïnstalleerd. Nadat de fysisch-technische groep en de laboranten zich op de nieuwe toestellen voldoende hadden ingewerkt, volgden in oktober de eerste behandelingen. De tijdelijke stationering van Radiotherapie op twee locaties werd hiermee een feit. In dezelfde maand werd de ‘20’ naar de Uithof overgeplaatst en vanaf januari als U3 ingezet. Direct daarna begonnen de installaties van de U4 en de U5, beide in bouwdeel Q, dat in juli ’88 was opgeleverd. Tijdens de opbouw van de nieuwe afdeling in de Uithof werd aan de Catharijnesingel in januari ’89 de geleidelijke uittocht ingezet met de ontmanteling van de Kleine Cobalt. Behandelingen met de ‘10’, de Oldelft lokalisator en het Selectron-LDR gingen door tot in de maand juli. Hierna bracht men de ‘Oude Delft’ en het Selectron-LDR over naar de Uithof. Al verliep de verhuizing op schema, de werksituatie was gedurende deze periode tamelijk hectisch. Het personeelsbestand van 83 medewerkers groeide in twee jaar tijd met 18 collega’s, die moesten worden ingewerkt. Vanwege de twee locaties in de Uithof en aan de Catharijnesingel moest bovendien negen maanden lang regelmatig met het AZU-pendelbusje heen en weer worden gereisd voor o.a. het vervoer van statussen, maskers, cerrosafe mallen, etc.

Op de nieuwe afdeling waren de moderne versnellers volledig computergestuurd. Dit vergde enige gewenning van de laboranten, die zich een geheel nieuwe bedieningsstructuur moesten aanleren. Voorafgaand aan een bestralingsserie werden nu individuele instelgegevens ingevoerd en opgeslagen (prep-up). De informatie werd daarna voor elke zitting op een snelle en veilige wijze gebruikt voor het instellen van de bestralingsvelden en de archivering. Nadelig voor de wachtlijst was wel dat de ‘prep-up’ het gelijktijdig gebruiken van het toestel in de weg stond. Dit werd in 1990 voor ieder toestel verholpen met de installatie van een ‘secondary access’. Bovendien werd het RT-net (Radiotherapie netwerk) aangelegd, waarop prep-up bestanden naar andere toestellen konden worden overgestuurd.

In 1993 werd voor de treatment planning voor teletherapie overgestapt op het planningssysteem PLATO (Nucletron), met de beperkte mogelijkheid om dosisverdelingen in 3 dimensies te berekenen. Voor deze berekeningen was echter 3D-informatie van de tumor nodig, die op de eigen afdeling niet kon worden verzameld. Laboranten bezochten daarom wekelijks de afdeling Röntgendiagnostiek, waar hun prostaatpatiënten met de CT konden worden gescand. Deze werkwijze vormde de eerste voorzichtige stap naar de reeds tien jaar lang besproken conformatietherapie, waarin de bestraling (met optimale besparing van kritische organen) geometrisch beter aan de tumor zou worden aangepast. Na de treatment planning ondergingen enkele jaren later ook de lineaire versnellers voor conformatietherapie noodzakelijke innovaties. Gekoppeld aan de (formele) vervanging van de U3 door de U6, werd in 1996 in de U4 een MLC (Multi Leaf Collimator) gemonteerd en werden voor de U4 en de U6 EPID’s (Electronic Portal Imaging Device) aangeschaft. De MLC was een snel alternatief voor het aanmaken van en sjouwen met de zware cerrosafe mallen en de EPID’s waren in staat de megavolt controlefoto’s te vervangen. Beide systemen vertoonden kinderziekten, maar zouden toch een belangrijke bijdrage leveren aan de start van een grote technische ontwikkeling op het gebied van de radiotherapie.

Met de installatie van de nieuwe U3 in 1999 schoof de aandacht op naar een nog meer verfijnde bestralingstechniek: de IMRT (Intensity Modulated Radiotherapy). Met een opeenvolging van verschillende MLC-veldjes zou in de tumor een (inhomogene) dosisverdeling worden bereikt, die beter was aangepast aan de lokale hoeveelheid tumorweefsel. Voor de vereiste hoge reproduceerbaarheid van de bundelpositie zou deze met een ‘flat panel’ EPID worden geverifieerd. De U3 (met IMRT-licentie) was in staat alle opeenvolgende veldjes op een ‘step and shoot’-wijze te doorlopen. Door fysici, artsen en laboranten werd begonnen aan het opstarten van de IMRT prostaatbehandeling en in samenwerking met Nucletron werd in het planningssysteem de software module ITP (Inverse Treatment Planning) geïmplementeerd, waarmee op basis van dosisvoorwaarden series van MLC-veldjes werden berekend. Na intensieve research-, test- en dosimetrieprogramma’s volgde de eerste IMRT-behandeling in maart 2000. De afdeling liep met de nieuwe technische ontwikkeling voorop. Met de opgedane kennis konden in samenwerking met Nucletron IMRT-cursussen worden gegeven aan binnen- en buitenlandse radiotherapeuten en fysici. Ondertussen waren aansluitende onderzoeksprojecten gestart voor IMRT-behandelingen van het mammacarcinoom en tumoren in het hoofd/halsgebied. In 2002 werd de IMRT-capaciteit van de afdeling uitgebreid met de installatie van de nieuwe versnellers U1 en U2.

Met de firma’s Nucletron en Philips werden in de jaren negentig wel meer samenwerkingscontracten getekend. De eerste samenwerking met Nucletron startte in 1993 en was gekoppeld aan de aanschaf van PLATO. De afdeling testte jarenlang nieuwe versies van de planningssoftware in ruil voor o.a. financiering van nieuwe onderzoeksprojecten. Voor Philips was de afdeling in 1993 een beta-testlokatie voor een gebruiksvriendelijker en veelzijdiger netwerk tussen de lineaire versnellers. Een tweede samenwerking werd drie jaar later gestart voor een betere gegevensoverdracht tussen alle medische toestellen (Inturis-project). Daarnaast werden voorbereidingen getroffen voor de nieuwe user interface RTD (Radiotherapy Desktop), die in 1999 op iedere versneller kon worden geïnstalleerd. Gedurende al deze jaren verleende de afdeling aan de firma toegang voor testwerk en demonstraties, in ruil voor lagere aanschafkosten van apparatuur en subsidiëring van onderzoek. De overname van Philips’ radiotherapieonderdeel door de Zweedse firma Elekta in 1997 bleek op de goede band geen invloed te hebben.

Ook binnen het AZU en de universiteit werd op het fysisch wetenschappelijk vlak de samenwerking geïntensiveerd. Door nauwe banden met het ISI (Image Sciences Institute) en deelname aan de onderzoekschool ‘ImagO!’ ontstond een goede mogelijkheid tot samenwerking met afdelingen (waaronder Röntgendiagnostiek en Nucleaire Geneeskunde) op het gebied van de ‘treatment imaging’. In 1999 kreeg het fysisch aandeel in de radiotherapie meer aanzien met de aanstelling van Jan Lagendijk als hoogleraar in de Klinische Fysica Radiotherapie. Hij prees in zijn oratie de ligging van de afdeling binnen de ziekenhuisorganisatie:

“De directe laagdrempelige toegang tot geavanceerde imaging apparatuur is essentieel in de verdere ontwikkeling van radiotherapie. Het is dan ook goed dat onze afdeling Radiotherapie onderdeel is van de divisie RRN.”

Noemenswaardig is ook de snelle vooruitgang in de informatietechnologie, die de bovengenoemde fysisch-technische ontwikkelingen mogelijk maakte. In 1990 begon de afdeling, met inmiddels circa 25 pc’s in gebruik (en internetverbinding via de universiteit), met de aanschaf van krachtige computers voor met name hyperthermieberekeningen. Steeds grotere rekenmodellen noodzaakten vervolgens het aanleggen van een (bescheiden) researchnetwerk tussen de rekencomputers. Tijdrovende berekeningen konden hierdoor in gedeelten op meerdere werkstations worden gemaakt, wat soms dagen winst opleverde. Dit netwerk groeide met de sterke toename van het aantal computers. In 1992 volgden de eerste voorbereidingen voor een tweede netwerk, ditmaal voor tumorregistratie en het afdelingsbrede afsprakensysteem PCMS (Patient Care Management System). Deze investering resulteerde drie jaar later in computerverbindingen over de gehele afdeling en op iedere werkplek een PC, inclusief e-mail- en overige internetfaciliteiten, via de externe verbinding vanaf het researchnetwerk. Via deze verbinding presenteert de afdeling zich vanaf 1999 met een eigen site op internet onder de domeinnaam ‘www.radiotherapie.nl’. Op het eigen intranet kon interne informatie worden geplaatst. Het duurde tot 2003, voordat de afdeling zich aansloot bij het AZU-netwerk. De reden hiervoor was de toekomstige verbinding met PACS (Picture Archiving Computer Systems), waarover alle beeldinformatie (CT, MRI, etc.) van het ziekenhuis zou worden gestuurd. Op de afdeling was inmiddels het DICOM systeem (Digital Imaging in Communications and Medicine) geïnstalleerd en werden van hieruit verbindingen aangelegd voor data-transport tussen belangrijke stations als de planning, de versnellers (RTD), CT, mouldroom, etc.

Van de drie grote researchlijnen uit de jaren tachtig kwam het onderzoek naar toepassingsmogelijkheden van hyperthermie in 1988 in een stroomversnelling met de installatie van het unieke coaxiale TEM-systeem. Patiënten met in het bekkengebied gelegen tumoren konden hiermee in aanmerking komen voor een combinatie van radiotherapie en hyperthermie. Rond 1992 werd de projectgroep sterk uitgebreid voor o.a. de ontwikkeling van treatment planning voor hyperthermie. Hiervoor werd een internationaal succesvol thermisch model geschreven en geverifieerd. In 1993 was de hyperthermiegroep uitgegroeid tot zeven research plekken en binnen deze onderzoekslijn zouden vanaf dat jaar tien promoties worden behaald. Ondanks de afname van het aandeel in tumorbehandelingen en een (voorlopige) stopzetting ervan in 2003, wordt tegenwoordig het onderzoek naar treatment planning en thermische modellen voortgezet.

Het radiobiologisch onderzoek concentreerde zich in de loop der jaren op het effect van de verschillende fractioneringen van radiotherapie. Experimenteel onderzoek met voornamelijk muizen deed hierbij dienst als ondersteuning voor klinische studies. Met behulp van flowcytometrie konden parameters snel en adequaat worden bepaald. Veel aandacht ging uit naar primaire hersentumoren en hoofd/halstumoren en een nauwe samenwerking werd onderhouden met afdelingen Celbiologie, KNO, PA en Neurochirurgie. Er werd ondanks de kleine bezetting van de biologietak twee maal gepromoveerd.

Na een lobbycampagne van met name Van Peperzeel werd in 1986 in de Uithof, tussen de huidige bouwdelen B en C, de eerste NMR van het ziekenhuis geïnstalleerd. Hiermee werden de toepassingsmogelijkheden van deze techniek voor radiotherapie verder onderzocht, zij het onder minder gunstige omstandigheden dan gehoopt. Naast het grote bezettingsaandeel van de Röntgendiagnostiek, moest de resterende beschikbare tijd over veel geïnteresseerde vakgroepen worden verdeeld. Nadelig bleef ook de lange rekentijd van de NMR. De projecten liepen traag en toepassingen voor behandeling bleven voorlopig uit. De situatie veranderde naarmate de techniek (inmiddels beter bekend als MRI, Magnetic Resonance Imaging) sneller en geavanceerder werd en het aantal toestellen in het AZU zich uitbreidde. Niettemin bleef de toepassing van MRI achter op de verwachtingen van de jaren tachtig. Grote aandachtspunten waren, na beëindiging van spectroscopie onderzoek in 1989, o.a. beeldinhomogeniteiten en toepassingen in de Brachytherapie. De onderzoekslijn leverde sinds ’86 twee promoties op.

De Brachytherapie ontwikkelde zich onder leiding van Jan Battermann tot een belangrijke subafdeling. Sinds de komst van het afdelingshoofd was de ‘Brachy’ met name zijn werkterrein. De ondersteunende taken lagen tot 1989 nog in handen van de fysisch medewerkers en verpleegkundigen van Gynaecologie. Dit veranderde na de verhuizing naar de Uithof, waar op de nieuwe verpleegunit eigen behandelkamers beschikbaar kwamen. De verpleegkundige bijdrage werd overgenomen door Oncologieverpleegkundigen, die op de unit waren gedetacheerd. Voor de fysisch medewerkers, die tot dan toe de ondersteunende radiologische werkzaamheden uitvoerden, werd het takenpakket te groot. Zij droegen hun werk over aan de laborantengroep. Materiële veranderingen lieten evenmin lang op zich wachten. Vooruitlopend op de verhuizing werd reeds  in de tweede helft van 1988 een ‘remote afterloading’ microSelectron-LDR geïnstalleerd, dat geschikt was voor interstitiële behandelingen, zoals blaas- en mamma-implantaties. Voor prostaatpatiënten werd een jaar later gestart met implantatie van I-125 bronnetjes, ter grootte van 1 x 4,5 mm. Deze behandeling zou gestaag toenemen, met gebruik van de modernste technieken. Een belangrijke innovatie was het SPOT-systeem (Sonographic Planning of Oncology Treatment), waarmee tijdens de implantatieprocedure de optimale bronposities konden worden berekend. Ook in de ontwikkeling en het testen van een computergestuurd systeem voor het inbrengen van de zaadjes speelde de afdeling een belangrijke rol. Voor de behandeling van patiënten met prostaatkanker door middel van het inbrengen van jodiumzaadjes is de brachyafdeling inmiddels uitgegroeid tot het Nederlands topreferentiecentrum en geniet het groeiende bekendheid onder de verwijzende artsen. Inmiddels bedraagt het percentage van patiënten buiten de regio meer dan 25%. Naast de LDR en jodiumzaadjes voor ‘low dose rate’ behandelingen breide de Brachy in 1992 het arsenaal uit met een microSelectron-HDR (High Dose Rate). Het toestel, dat nog steeds in gebruik is, stuurt één Ir-192 bron uit, naar vooraf op te geven posities, met hoge betrouwbaarheid, grote precisie en bedieningsgemak. In 2003 werden de twee LDR-toestellen afgeschreven en vervangen door PDR-toestellen (Pulsed Dose Rate), die technisch veel overeenkomen met het HDR-toestel.  

Ook na de sterke personeelsuitbreiding rond de verhuizing bleef de afdeling groeien. In december 1990 werden (inclusief vrijwilligers en diëtisten) 108 medewerkers geteld, in 1995 120 en in 2000 was het aantal opgelopen tot 144. In tegenstelling tot het schrikbeeld van het voormalig afdelingshoofd Van Peperzeel in de jaren tachtig, bleef niettemin de interdisciplinaire samenwerking op hoog niveau. Dit bleek o.a. bij de invoering van nieuwe innovaties, al dan niet met samenhangende technische en organisatorische problemen. Een zelfde conclusie viel te trekken na de gezamenlijke inspanningen voor het verplichte kwaliteitssysteem voor de ISO 9002 certificatie. Deze wist men in 1997 als eerste academische ziekenhuisafdeling te behalen. Volgens enquête-uitslagen voelden de medewerkers zich ook betrokken bij de afdeling. In perioden van structureel landelijk tekort aan radiotherapeutisch laboranten bleken bovendien de formatieplaatsen in Utrecht altijd gevuld. Daarnaast gaven enquêtes onder patiënten aan dat zij tevreden waren over het personeel.

In 1999 werden voorbereidingen gestart voor een capaciteitsuitbreiding naar zes versnellers. Dit hield in dat in 2001 alle bestralingsbunkers structureel zouden worden bezet en dat het gebouw dus geen verdere uitbreiding mogelijk maakte. Daarentegen zou het aantal patiënten nog blijven toenemen en zou ook de complexiteit (en daarmee de zittingsduur) van de behandeling blijven stijgen. De wachttijden voor de patiënt vormden reeds een probleem. In 2000 bleek deze voor standaardbehandelingen rond 30 dagen te bedragen, tegenover een door de beroepsgroepen vastgelegde acceptatiegrens van 21 dagen. Regelmatig kwam een wachttijd van langer dan 40 dagen voor. Om die tijden gedurende de installaties van de nieuwe U1 en de U2 niet verder te laten oplopen, werden enkele maanden (wederom) overuren gedraaid.

De ondercapaciteit was volgens de NVRO (Nederlandse Vereniging voor Radiotherapie en Oncologie) een landelijk probleem. Een door de vereniging ingestelde commissie onderzocht de actuele ontwikkelingen binnen radiotherapie en presenteerde in 2000 hierover een rapport. De capaciteitsuitbreiding bleek landelijk sterk achter te lopen op de behoefte, waardoor lange wachttijden waren ontstaan en nauwelijks ruimte overbleef voor innovatie- en onderzoeksprojecten. De commissie adviseerde voor 2005 een uitbreiding van apparatuur en personeel tot 40%. De investering achtte men zeer verantwoord, gezien de lage kosten van radiotherapie t.o.v. chirurgie en chemotherapie. De Gezondheidsraad onderstreepte de genoemde behoefte en in 2001 stelde de minister van VWS, mevrouw Borst zich tot doel de capaciteitsachterstand binnen vijf jaar te laten wegwerken. Het Planningsbesluit Radiotherapie 2000 werd opgesteld, dat voorzag in grote investeringen in o.a. meer bestralingstoestellen en opleidingsplaatsen.

In Utrecht volgde een discussie over de wijze van uitbreiding. Het AZU-gebouw van 1989 was inmiddels aan diverse zijden aanzienlijk uitgedijd. Voor het behoud van het terrein aan de oostzijde, stelde de Raad van Bestuur daarom een satelietlokatie nabij Amersfoort voor. Dit terrein ‘op de hei’ zou voldoende ruimte kunnen bieden voor verdere uitbreidingen. Maar om dezelfde redenen als in 1986 werd splitsing van de afdeling nadelig gevonden en werd een uitbreidingsplan opgesteld voor aangrenzende nieuwbouw.

Het planningsbesluit maakte in Utrecht een uitbreiding met twee versnellerruimtes mogelijk. Al snel circuleerde hiervoor de eerste versie van het plan, dat bovendien voorzag in wat extra ruimte in bouwdeel Q. Na enig beraad echter werd de uiteindelijke aanvraag veel groter. De afdeling had immers recht op 1000 m2 per operationele bunker. Daarom werd in het strategisch beleidsplan 3000 m2 gevraagd, met daarbij een derde bunker, vooruitlopend op de verwachte behoefte aan versnellers in 2010. De extra bunker kon zou worden gebruikt als afschermende researchruimte. Al in 2001 werd de aanvraag geaccepteerd en werd de uitvoering van de nieuwbouw met de Raad van Bestuur verder besproken. Deze besloot uiteindelijk aan de oostzijde een bouwproject te starten voor twee kantoorgebouwen, vooruitlopend op meer noodzakelijke uitbreidingen binnen het ziekenhuis. De afdeling Radiotherapie zou in de onderste verdiepingen van de noord- en zuidtoren haar nieuwbouw officieel gaan openen in september 2004.